Posts tagged revealed preference

Amsterdam North/South metro line impact study

The four-year study conducted by TU Delft, AMS Institute and others into the transport-related, spatial and economic effects of the North/South metro line is now complete and was presented to Amsterdam’s regional and City councils end of 2021.

Find the final policy report here HERE

Find the main TU Delft research findings HERE

Find the interactive visualisations of the GVB timetable and anonymous passenger data before and after HERE

Find all research papers and reports HERE

MSc thesis Simon van Hees: Regional Travel Time and Transfer Impacts of the Noord/Zuidlijn using Interoperable Smart Card Data

How do Dutch train passengers (expect to) travel during and after Covid?

Thursday 5th November, the ETC Programme Committees for Local Public Transport and Rail Policy and Planning hosted a Covid webinar on: “How do Dutch train passengers (expect to) travel during and after Covid? Insights from a longitudinal panel of over 20,000 train passengers”, by Mark van Hagen (Netherlands Railways) and Niels van Oort (TU Delft). Together, Mark and Niels initiated a longitudinal survey amongst Dutch train travellers and how they cope with Covid with regard to their (future) travel patterns. In this webinar, they will share the main findings and lessons. A reflection from a wider EU perspective will also be given by András Munkácsy, Head of the Department for Transport Management at the KTI Institute for Transport Sciences, Hungary.

Find the presentation HERE

Fietsparkeren bij stations en haltes: kansen (on)mogelijkheden (deel)fiets+ OV

De combinatie van fiets+OV is groeiende. Maar tegelijkertijd zien we ook de stallingsdruk en -problemen toenemen. Hoe kunnen we de groei blijven faciliteren en wat is de mogelijke rol van de deelfiets hierin? Tijdens het fietsparkeercongres in Utrecht deelden we onze inzichten vwb het gebruik(svoorkeuren) van de combinatie (Deel)fiets+OV.

Bekijk de presentatie HIER en de aftermovie HIER

Fietsen naar de tramhalte: simultane modellering van voortransport- en haltekeuze

Wereldwijd wordt er gestuurd op een toename van duurzame vervoerkeuzes voor een betere leefbaarheid en bereikbaarheid. Vooral in de steden waar de samenleving groeit en de dichtheden groter worden is een verandering in kijk op de mobiliteit noodzakelijk om de burgers tevreden te stellen. De integratie van fiets en openbaar vervoer (OV) kan hier aan bijdragen. Wanneer de fiets wordt gebruikt als voortransportmiddel wordt het invloedsgebied van het OV vergroot ten opzichte van lopen waarmee het een beter alternatief wordt voor niet-duurzame vervoermiddelen. Om de combinatie fiets en OV te vergroten zullen effectieve klantgerichte maatregelen genomen moeten worden. Hiervoor is meer inzicht nodig is de factoren die een rol spelen bij de keuzes voor voortransportmiddel en halte. Hier is tot op heden nog weinig over bekend op het stedelijk niveau. Door de keuzes in één onderzoek te combineren wordt de afweging duidelijk tussen het voortransportmiddel en de OV-reis, en kunnen de effecten op het invloedsgebied van het OV bepaald worden. Dit is gedaan op basis van data van HTM-tramreizigers in Den Haag middels een simultaan discreet keuzemodel van voortransportmiddel en halte keuze. Resultaten geven aan dat reizigers in het algemeen liever lopen dan fietsen naar de tramhalte. Daartegenover staat dat de afstand naar de tramhalte lopend 2,1 keer zwaarder weegt dan als men fietst. Dat betekent dat bij een langere afstand fietsen aantrekkelijker wordt dan wandelen. Frequente fietsers zijn meer geneigd om ook naar de tramhalte te fietsen, terwijl frequente tramreizigers juist minder vaak fietsen naar de tram. De aanwezigheid van fietsparkeervoorzieningen vergroot het invloedsgebied van een tramhalte, maar de grootste impact op het invloedsgebied van fietsers is de OV-reistijd. Verbeteringen aan het OV-systeem, zoals minder haltes en/of hogere frequenties kunnen dan ook zorgen voor een groter geaccepteerde fietsafstand (fietskeuze) tot de halte. Op basis van deze resultaten lijkt het mogelijk de fiets-OV combinatie ook op stedelijk niveau te stimuleren. Hierdoor kan duurzame mobiliteit op stedelijk niveau betere concurrentie bieden aan de auto, wat lijdt tot een aantrekkelijkere en beter leefbare stad.

Bekijk hier de presentatie en paper van Danique Ton et al.: Presentatie en Paper

OV en (deel)fiets: vriend of vijand? Inzichten in gebruik en reizigersvoorkeuren

In beleid en onderzoek is steeds meer aandacht voor duurzame vervoermiddelen, zoals de fiets en het openbaar vervoer (OV). Integratie van fiets én openbaar vervoer kan de voordelen van beide systemen combineren: De fiets zorgt voor fijnmazige ontsluiting van herkomsten en bestemmingen, is duurzaam en bevordert een gezonde leefstijl. De kwaliteit van het OV neemt de laatste jaren toe, onder andere door de introductie van hoogwaardig OV (HOV): snelle, frequente en betrouwbare bus- tram- en metrolijnen met een hoog comfortniveau. De halteafstanden van deze systemen zijn, net als bij het spoor, relatief hoog, waardoor de fiets een belangrijke rol kan spelen in de gebiedsontsluiting. Echter, op kortere afstanden zijn de fiets en het OV, naast een nuttige combinatie, ook elkaars concurrenten.

Om inzicht te krijgen in de aanvullende dan wel concurrerende rol van de fiets en OV, is onderzoek nodig over hoe de reiziger zich nu en in de toekomst beweegt. Dit inzicht helpt om een optimaal integraal fiets+OV systeem te ontwerpen en gebruik van dit systeem te stimuleren en te faciliteren. Dit paper laat de resultaten zien van vier recente TU Delft onderzoeken op dit gebied.

Resultaten van een literatuuronderzoek naar de first- en last-mile laat zien welke factoren belangrijk zijn voor modaliteitskeuze, waaruit bijvoorbeeld blijkt dat mannen die bekend zijn met de omgeving vooral gebruik maken van de fiets. Onderzoek in Den Haag laat het bereik van de tramhalte zien voor de fiets. Fietsers zijn bereid tot 3 km te fietsen om bij een tramhalte in de stad te komen. Ongeveer 50% van de gebruikers fietst verder dan de dichtstbijzijnde halte als deze halte minder overstappen, betere parkeervoorziening en meer reisopties biedt. Voor het natransport is de deelfiets een relatief nieuwe optie. Onderzoek naar Mobike in Delft (dockless bikes) laat zien dat ca.19% van de deelfietsritten gebruikt wordt om van en naar het station te komen. Met name het gebruik van Mobike voor ritten naar station Delft Zuid, met beperkte andere mogelijkheden, valt op. Ook voor andere deelfietssystemen in Delft, zoals OV-fiets en Swapfiets is onderzoek gedaan naar het gebruik. Door de beschikbaarheid van deze systemen geeft 9-16% van de gebruikers aan meer gebruik van de trein te maken, tegenover 34-60% minder van de bus. Ook lopen wordt vervangen door deze nieuwe modaliteiten in 35-42% van de gevallen.

Bekijk de presentatie en paper hier: Presentatie en Paper

Impact assessment of new North/South metro line in Amsterdam

Large infrastructural projects are usually evaluated ex-ante before the decision to build the project is taken. However, after construction and opening of such project a thorough ex-post analysis is rare. In this paper we present an overview of such an evaluation study conducted in Amsterdam, capital of The Netherlands, including some first results. Research themes in the study are public transport, mobility and accessibility, public space and liveability and spatial economics. In this paper we focus on effects on public transport.

The new north-south metro line in Amsterdam became operational in summer 2018. This was accompanied by changes to the existing bus and tram network to provide feeder services to the new line, as well as to remove duplicate routes. Apart from adding significant capacity to the public transport network, the new line and the accompanying changes to the network are expected to improve travel times, reliability, accessibility and comfort levels (at least on average; not for all individual travellers).
The changes in such service quality attributes is expected to lead to a change in travel behaviour in terms of public transport route choice, mode choice (between public transport and private modes or within public transport), destination choice, departure time choice or addition of new trips (induced demand).
The objective of this study is to identify the main effects of the new metro line on existing and new passengers. We pay attention to the following aspects:
– Passenger volumes.
– Travel times, where the following distinction can be made:
o in-vehicle time;
o waiting time at the first stop;
o transfer walking time;
o transfer waiting time.
– Number of transfers.
– Network flows / crowding in vehicles.
– Reliability: travel time variance on the journey level.
– Accessibility: number of inhabitants and jobs reachable within a travel time budget.

Data sources for the study are GTFS timetable data (open source), Smart card data (both from within the city of Amsterdam as for the regional feeder bus services) and Automated Vehicle Location data. To measure perceived quality of the PT network, a survey is conducted among inhabitants of Amsterdam. In this survey approximately 3.800 respondents were asked about the travel time perceptions of their last PT trip, both before and after opening of the metro line. Finally, for a sample of travellers the entire trip is followed by a GPS tracking app.

Bicycle and Transit: a Powerful Combination

Cities are facing mobility related problems such as traffic congestion and air pollution. The combination of bicycle and transit offers a sustainable alternative to individual motorized transport. It combines the benefits of both modes, namely speed, flexibility and accessibility. This paper merges several results of our recent studies in this combined mode. The bicycle and transit mode is at first reviewed from a governance point of view. After this top-down approach a shift to the actual bicycle and transit users is made. The objective of this paper is to understand the characteristics of the bicycle-transit combination. Understanding the bicycle-transit chain makes it possible to improve the design of the chain by adapting policies which enhances (further) growth of this sustainable transport mode.

Regarding the governance point of view: two metropolitan areas in the world where both bicycle and transit systems are highly developed are compared. The metropolitan region of Copenhagen and the Dutch Randstad conurbation. In the Netherlands the governance structure of spatial planning and transit planning has gradually been shifted from local and national level to provincial level. Furthermore, many provinces are a key stakeholder when developing so called bicycle highways. The combination of responsibilities for (i) spatial planning, (ii) transit, and (iii) bicycle planning has proven to be extremely successful when making the most out of the bicycle-transit combination. It is seen that the results of the integration of transit and spatial planning highly encourages citizens to use the bicycle and transit mode.
In addition to our policy-related analysis, the actual bicycle and transit user has been examined. It is seen that the current users of the combined mode are mainly middle-aged, male, full-time employees. Catchment areas of transit stops depends on multiple factors. One of these factors is quality of the transit supply. In comparison to low level services, high level services attract users from twice as far. While over 40% of the Dutch train traveller uses the bike to get from home to the station, modal shift might be possible regarding egress trips and from and to high level bus, tram and metro services. Dockless bikes are helpful regarding egress transport. In the city of Delft, approximately 15% of the MoBike dockless bike trips are related to the train stations.
Finally, it is concluded that the combination of bicycle and transit is a successful and sustainable transport combination. Both from a governance and user perspective, there are major opportunities regarding the egress side of the bicycle transit chain. Furthermore, the transition of low level transit to high level transit makes the bicycle-transit combination more attractive, transit authorities are therefore highly encouraged to facilitate bicycle parking and shared bicycle facilities at their transit stops.

Check the ETC presentation with Raymond Huisman HERE

Impacts of replacing a fixed transit line by a Demand Responsive Transit system

The diffusion of the smartphone and the urban sprawl is pushing both private and public actors to revisit the concept of the demand-responsive transit (DRT). Mokumflex is a DRT pilot program that replaced the regular bus service in low-density areas of Amsterdam, the Netherlands, for 12 months. The close collaboration with the private enterprise that conducted the system but also with the local bus operator allowed the authors to have access to precise databases, giving this article empirical information for both the situation before and after the implementation. These insights help to understand DRT systems and support (future) design of DRT and transit systems. A few indicators were chosen for the comparison: distances, ridership, costs, Greenhouse Gases (GHG), emissions and population’s perception. The ridership dropped, however, for being “demand-tailored”, the mileage per passenger reduced, improving the costs and GHG emissions. In regards to population’s perception, the system enjoyed a good evaluation.

Find the Thredbo presentation of Felipe Coutinho HERE and the paper HERE

The advantages of multi-modal concessions, two analyses in the Netherlands

Public transport authorities are aiming for more integrated concessions, including bus, train services, to provide a better experience for travellers. This paper describes the analysis of the effect of multimodal concessions.First, the Dutch Province of Limburg moved from uni-modal to a multimodal concession. The paper analyses effects of that choice had for network design, travel times (using weighted generalized travel time), travel costs, patronage (using smart card data analysis), and coordinative interactions between operator and authority (based on interviews). Second, the paper analyses three different forms of coordination between bus and train services, using the STO model. It compares three regional concession in the Netherlands in Limburg, Fryslân, and Groningen. They represent one region with a multi-modal concession under net-cost, one region with multiple unimodal concessions under net-cost and one region with multiple unimodal concessions under mixed forms of contract. The paper concludes that multi-modal concessions provide some real-world advantages to travellers and authorities. However, to what extent these advantages materialize is dependent on a number of key factors, including the type of contracts used, the number of transport authorities active in the concession area and the role that the transport authority wants to take up.

Find the Thredbo presentation of Gerald Hoekstra HERE and the paper HERE

Impact analysis of a new metro line in Amsterdam using automated data sources

A new metro line (the north-south line) was opened in Amsterdam in July 2018, adding significant capacity to the existing urban public transport network consisting of bus, tram and metro modes. The opening of the metro line was accompanied by changes to the existing bus and tram network, such as removal of duplicate routes and addition of feeder routes.

Traditionally, the impact of such a network change was measured either ex-ante or post-op based on surveys or model forecasts (Vuk 2005; Knowles 1996; Engebretsen, Christiansen, and Strand 2017). However, with the availability of automated data sources such as the smart card data, the exact impact on transit demand and service quality can now be measured. However, so far this has been limited to analysing the changes in travel times and reliability at a trip level (Fu and Gu 2018), excluding transfers.
This research utilises smart card and AVL data to study the impact of the new line on travel patterns (passenger flows), travel times and reliability from a passenger perspective by considering journeys including transfers. The metrics are calculated at a stop-cluster level, enabling also a distributional analysis of the impacts. Such a post-op analysis of any policy intervention or network change could be used to refine the demand predictive ex-ante tools.

Check the Transit Data workshop contributions of Malvika Dixit: Presentation and Extended abstract

© 2011 TU Delft